29. Klein maar ...
Publicatie: 01/01/2023
Ik denk dat ongeveer alle aspecten in mindere of meerdere mate aan bod zijn gekomen, maar er is nog een klein detail waarin ik me vrij recent grondig ben beginnen verdiepen: het plectrum. Heel dikwijls hoor je vertellen dat de ‘manier’ van spelen een groot verschil maakt, maar daar zit, veel meer dan we vermoeden, dat kleine ding voor een groot deel tussen. Trouwens, het tokkelen op de snaren kan ook met de vingers en/of de nagels, zoals de klassieke en flamenco gitaristen. Of op de elektrische gitaar, zoals Jeff Beck en Mark Knopfler.
Maar laat ons het hier enkel hebben over het plectrum (in het Engels: ‘pick’). Er zijn allerlei vormen, van klein naar groot, ook soms voorzien van logo’s of afbeeldingen. Maar de twee belangrijkste factoren zijn het materiaal en de dikte.
In mijn beginperiode speelde ik met heel dunne en dus zeer flexibele plectrums. Tot ik in de gaten kreeg dat vele rock- en fusion gitaristen met dikke en stijve plectrums speelden. Een zeer geliefde vorm, vooral bij de betere solisten, is het Jazz III formaat, met meestal een dikte tussen de 2 à 3 milimeter. Niet alleen geeft het een voller geluid, het bepaalt in hoge mate de aanslag van je snaren.
Velen denken dat een harde sound automatisch gelinkt is aan het hard aanslaan van de snaren; het type van de molenwiekende Pete Townshend van The Who. Nochtans gebeurt het snelle solo-werk niet alleen met een maximum aan techniek en precisie maar meestal ook met een minimum aan kracht.
Vergeleken met al de rest zijn plectrums veruit het kleinste en het goedkoopste ingrediënt. Met een prijs tussen de 0,5 à 5 euro per stuk lijkt het me dan ook een beetje te gek om hierop te beknibbelen.
Voor vele ervaren gitaristen zijn degelijke plectrums zo vanzelfsprekend dat ze meestal onbesproken blijven. Zoals dikwijls kunnen experimenten tot nieuwe, originele of ‘aparte’ zaken leiden. Meestal speel je met de punt van een plectrum om het meeste directe en zuiverste geluid te krijgen.
Als je zeer aandachtig luistert naar de intro van Where The Streets Have No Name (U2) is het alsof The Edge zijn snaren aanslaat met iets schrapend. Hij had er niet beter op gevonden om de zijkant van zijn plectrum te gebruiken, maar wel een met “ribbeltjes” die eigenlijk dienen om een betere grip te hebben. Zijn sound kon ik vrij snel achterhalen (stand van elementen op gitaar, modulated echo, enz.) maar dit was wel degelijk the missing link. Ik heb het verschil eens gedemonstreerd en zelfs niet-muzikanten hoorden het onmiddellijk.
Nu ga ik je een truuk verklappen. Het overgrote deel van de tijd speel ik dus met de punt van mijn plectrum, al dan niet wat harder of zachter. Ik ben ook de zijkant gaan gebruiken om eerder begeleidend (en softer) te klinken. Maar de andere zijkant heb ik lichtjes afgeschraapt met een grove vijl, waardoor ik het schraapgeluid van The Edge bekom. Tijdens een optreden experimenteer ik hiermee nogal eens, en ik geniet er enorm van als ik oren zie spitsen bij subtiele geluiden. Ook Brian May (Queen) heeft zo’n schrapende sound waarvoor hij een “sixpence” (een Engelse munt) gebruikt.
Na meer dan 10 jaar Dunlop Jazztone 208 plectrums te hebben gebruikt ben ik midden 2018 overgeschakeld op Dunlop 427PJP John Petrucci Jazz III. Ook dit is een extra heavy exemplaar maar met een dikte van 1,5 mm én – zeer voornaam – een afgeschuinde, gepolijste punt. Op slag kregen mijn klanken een extra heldere en duidelijke dimensie en ik was definitief verkocht na slechts één optreden; ik niet alleen trouwens. En voor amper 1 euro per stuk kan een mens niet sukkelen.