26. Concerten
Publicatie: 23/02/2026
In 1970 is er in ons land een paleisrevolutie ontstaan inzake het begrip ‘concert’. Wat voorheen exclusief verbonden leek aan klassieke muziek werd brutaal opzijgeschoven door het in 1969 gefilmde festival van Woodstock. Herman Schueremans, bezieler van het wereldbefaamde Rock-Werchter festival, zei ooit dat dit qua organisatie het allerslechtste festival ooit moet geweest zijn.
Maar het begrip concert werd vanaf toen steevast geassocieerd met rock en pop. Door de opkomende media kwamen er meer en meer live concerten op televisie, in plaats van het steriele en voorgeknauwde playback-gedoe. Onder meer het in 1974 op de Duitse zender WDR gestarte Rockpalast werd bijzonder populair, vooral omdat ook Engelse en Amerikaanse groepen uitvoerig aan bod kwamen. Sommige concerten waren niet écht te genieten, maar ik bleef ze halsstarrig tot het eind volgen en soms leverde dat onverwachte pareltjes op.
Ik vatte dat ook op als een enorm interessante leerschool, want ik onthield zowel wat goed was als wat niét goed was, beter bekend onder de naam te-vermijden-toestanden. Zo viel het mij op dat wie gewoon zijn/haar studioplaat wou naspelen heel dikwijls door de mand viel, want alleen nog maar de studiokwaliteit trachten te evenaren op een podium is gewoon utopisch. Soms was het ook omgekeerd: dat songs beter live klonken dan op de plaat.
Zo heb ik in 1979 op Rockpalast het allereerste concert van U2 gezien. Dat was toen nog een totaal onbekend, vrij aanstellerig groepje en eigenlijk vond ik geen enkel nummer te pruimen, maar ik was wel geïntrigeerd door het ongewone gitaarspel. Geen enkele solo, de meeste tijd riffs op slechts twee of drie snaren, én zeer apart door het massaal gebruik van echo. Gelukkig ben ik blijven kijken want het laatste nummer was een pompende versie van I Will Follow. Ik hoorde al tijdens de intro dat daar enorm potentieel in zat. Tja, de rest zal wel geschiedenis zijn, zeker.
Wat ik onder meer geleerd heb is om geen 5 nummers na mekaar in hetzelfde ritme te spelen, of nog erger: in dezelfde toon. De meeste rock groepen spelen al eens een traag nummer, en merkwaardig genoeg blijkt dat veelal hun bekendste hit te zijn.
De eerste jaren dat ik concerten bijwoonde in Vorst Nationaal was de klank nauwelijks aanvaardbaar te noemen. Het steevaste motto leek wel: ‘jullie zijn hier naartoe gekomen, als je straks terug buiten bent moét en zàl dat in jullie oren blijven na-teuten’. Tot ik naar het eerste solo-concert van Phil Collins in 1981 ben geweest, waarbij de klank bijna uit de studio leek te komen; zo kan het dus ook.
Het ergste concert was dat van David Bowie in 1983. Het minste wat je toch mag verwachten van een concert is dat je de verschillende instrumenten kunt horen. Wel, daar stond een twaalftal muzikanten op het podium, maar dat was zo oorverdovend loeihard dat ik enkel de bassdrum en de snare heb kunnen onderscheiden. De rest was één grote brij. Zelfs het enkel op akoestische gitaar ingezette Space Oddity (Major Tom) leek wel een drilboor.
Bij een concert van Prince zat ik op de VIP-plaatsen, helemaal bovenaan. Na een ‘intro’ van meer dan anderhalf uur (!), zonder enige stop (m.a.w. alle nummers aan mekaar geplakt), moest ik even naar het toilet. Toen hij het volgend nummer inzette zat ik daveren op de wc-bril. Hallo ?
Ik kan wel enkele concerten aanhalen waar de klank zeer degelijk en genietbaar was:
– Nik Kershaw in Hof ter Lo in Borgerhout
– 3 concerten van Phil Collins in Vorst Nationaal
– Howard Jones in het Koninklijk Circus in Brussel
– de concerten van Night Of The Proms in het Antwerpse Sportpaleis (zelfs het aanstrijken van de violen kon je perfect horen)
– The Royal Dutch Scam (een oerknappe Steely Dan tribute band) in Nederlandse theaters (eind 2025 reeds meer dan 10 keer gaan bewonderen !)
Voor mij is en blijft de absolute top inzake klank de concerten op het hoofdpodium van Maanrock in Mechelen, voor zelfs de meest uiteenlopende genres en groepen. Een perfecte balans tussen kwaliteit en volume, vanaf de eerste noot.
Even een raar fenomeen tussendoor: als er bij een concert ritmisch in de handen wordt meegeklapt duurt het amper enkele seconden of men begint collectief te versnellen. Ik heb het nog nooit meegemaakt dat men vertraagt, NOOIT !
Niet alleen het publiek maar ook vele groepen hebben sterk de neiging om te ‘lopen’. Stewart Copeland maakte in de hoogdagen van The Police het leven van Sting zuur omdat hij steeds maar sneller en sneller speelde. Een triest dieptepunt op dat gebied vind ik Live in Hawaii uit 1973 waarin Elvis Presley alle songs met een rotvaart wou uitspuwen alsof hij door een heel wespennest gestoken was.
Tot slot nog een zeer hallucinant beeld: tijdens het concert van The Rolling Stones op het Californische Altamont Festival in 1969 wandelde er op z’n duizendste gemakje … een Duitse herdershond over het podium. Duidelijk geen last van speakers, monitors, gitaar- of ander geweld. Misschien ergens onderweg wat verloren spul opgegeten. Ofwel potdoof.