25. P.A.
Publicatie: 01/01/2023
In 1965 traden de The Beatles op in het New Yorkse Shea Stadium en dit evenement werd gigantisch opgeklopt door pers en televisie. Toch was de realiteit een pak minder fraai. Het door merg en been borende gekrijs en gegil van de 56.000 hysterische fans overstemde compleet de voorziene installatie. The Beatles zelf (en dat zie je op de beelden) konden mekaar amper horen zingen en spelen, en maakten er bovendien een potje van door de intro’s door mekaar te gooien.
Interessant om even te analyseren:
– ze zongen en speelden zonder monitors; Ringo moest constant letten op het achterwerk van John en Paul om in de maat te blijven
– Vox had voor die gelegenheid grotere versterkers gebouwd van … 100 Watt (zelfs in kleinere pubs heb ik vaak op véél meer gespeeld)
– de “geluidsinstallatie” bestond uit … de stadion HOORNLUIDSPEAKERS (zoals in een treinstation !)
Les geleerd, want wat is men beginnen doen: grotere boxen gebruiken die àchteraan het podium stonden waardoor zowel de artiesten als het publiek meer volume kregen. Maar dit had serieuze gevolgen: in die opstelling moesten ook de zangmicro’s versterkt worden en de beruchte “feedback” (fluiten en piepen) zal wellicht een hele hoop concerten de mist hebben ingejaagd. Om nog niet te spreken over de artiesten zélf die als eersten de volle lading kregen, want zij stonden tussen die muur en het publiek. Op foto’s van oudere concerten zul je achteraan een heel podium vol met speakers zien staan waarvan een groot deel met van die “tweeter”-trechters. Niet vergeten dat de microfoon nog steeds de zwakste schakel is in heel de versterking, met de zangstemmen veruit op de allereerste plaats.
Uiteindelijk heeft men toch een snuggere oplossing gevonden die tot op de dag van vandaag nog steeds gebruikt wordt: de P.A. (Power Amplification). Kort samengevat: alles op het podium wordt versterkt (al dan niet) door microfoons, al die kabels gaan naar de “mixer” (mengtafel), de boxen die naar het publiek gericht zijn staan voor, naast en zelfs boven het podium, en de artiesten krijgen vlak voor hen “monitors” waar het gezamenlijke, maar vooral het individuele geluid wordt teruggestuurd. Monitoring bestaat ook in de vorm van een hoofdtelefoon of het modernere in-ear systeem; dat zijn professionele (en vrij kostelijke) oortjes met afstandbediening.
Als de zangers en muzikanten zichzelf niet of nauwelijks kunnen horen (of denken te horen), wordt er pijlsnel aan de P.A.-mensen gevraagd om het volume op te drijven. En dan riskeren we weer terecht te komen bij onze beruchte “feedback”. Zeker als het succes en enthousiasme blijft stijgen (eventueel in vergelijkbare toename van drank en andere ingrediënten) is de escalatie van het volume niet veraf. In heel dit verhaal is er één absolute vereiste: discipline !
Nog een bekend fenomeen is het vals zingen. Maar is dat dan in àlle omstandigheden volledig de schuld van de zanger of zangeres ? Dat kan ook liggen aan het te hoge volume van een monitor (met een hoofdtelefoon of oortje is dat nog riskanter, want daar heb je geen feedback). Zo heb ik ooit een live concert van Roxy Music gehoord waarbij Bryan Ferry gedurende gans het optreden constant een halve toon te hoog zong; niet om aan te horen.
Meestal is diegene aan de microfoon de ster en/of het uithangbord, maar hij/zij is soms wel te beklagen. Als ik sommige tour data bekijk en zie dat men gedurende vele maanden zowat elke dag in een andere stad optreedt (onderschat de veelvuldige en soms verre verplaatsingen niet), dan kan het begeven van de stembanden iets van elk moment zijn. Rust wordt hen ook buiten het optreden nauwelijks gegund wegens interviews en dergelijke, en uiteraard ook de soundcheck voor elk optreden niet vergeten. Glory comes with a price.